Bart keek Braamhorst aan, maar hij zei niets. Zijn

“Bart keek Braamhorst aan, maar hij zei niets. Zijn bezoeker zat te zweten.

‘Zoiets, dat vinden we hier nou niet direct gewoon, zeker niet vooreen dominee.’

Ze hadden Braamhorst natuurlijk gestuurd als vertegenwoordiger van de oude garde, die dit niet accepteerde. Zouden ze lang hebben gediscussieerd in de Kerkenraad? ‘Het goede voorbeeld. Ik moet het goede voorbeeld geven.’

‘Precies, ook voor de jeugd, vooral voor de jeugd.’

‘Ik begrijp het.’ Bart hoorde zichzelf preken, verhalen vertellen, huwelijksgesprekken houden. Bijbelteksten flitsten door zijn hoofd. En plotseling wist hij het. Dit was een offer geweest. ‘De Here sprak tot Mozes: Wanneer iemand ontrouw wordt en zonder opzet zonde doet tegen iets van wat de Here geheiligd is…’ Hoe ging het ook alweer verder? Hij zou in ieder geval een schuldoffer naar de priester moeten brengen, een ‘gave ram van het kleinvee’. Braamhorst had vast nog wel een gave ram van het kleinvee.

‘Leviticus,’ zei Bart.

‘Hè?’

Leviticus. En daarna kwam het brandoffer. Bart stond op en liep naar Bartjan, die verwoede pogingen deed om het paard in de open plek voor de kameel te duwen. ‘Kijk, hij moet daarin. Zie je wel? Nu nog het hondje en het konijntje. Het konijntje heeft lange oren.’

Bart ging weer zitten.

‘Het is moeilijk om te zeggen,’ ging Braamhorst door, ‘maar we zouden het beter vinden… wij, dus de Kerkenraad, als u een tijdje, nou ja, als u zich een tijdje op de achtergrond hield. Ik heb al contact gehad met de scriba van de classis…’

Ze hadden er dus geen gras over laten groeien.

‘En die had ook het idee dat dat het beste was. Het is natuurlijk geen schorsing of zo, maar meer een… eh…’

‘Een straf?’ vroeg Bart.

Braamhorst keek geschrokken. ‘Nee, natuurlijk niet. ‘t Is vooral dat het een beetje kan overwaaien, dat het langzaam naar de achtergrond raakt. Enne., wat we niet willen uitsluiten, dat u ergens anders beroepen wordt, op den duur. Dat hebben we het liefste. Voor u misschien ook het beste. Een nieuwe start, een schone lei.’

‘Die lei is niet schoon, en dat wordt-ie ook nooit.’

Bartjan stond op van het tafeltje en pakte de pas voltooide puzzel, maar hij hield hem zo vast dat alle stukjes er weer uitvielen.

Rond één uur belde de politie. Of hij het verhaal van Smulders kon bevestigen. Dat ze van ongeveer halftwaalf tot twaalf uur bij hem was geweest. Ja, dat kon hij bevestigen. Waarom wilden ze dat eigenlijk weten? Routine, simpele routine.

Daarna pakte hij de auto om zijn ouders van de trein te halen, Bartjan in zijn stoeltje achterin. Zijn moeder barstte onmiddellijk in tranen uit toen ze hem zag. Ze hield Bart vast, hij voelde haar tranen tegen zijn huid en zag mensen omkijken. ‘En wat verschrikkelijk voor die jongen!’ herhaalde ze steeds maar, met overslaande stem. ‘Wat verschrikkelijk voor die jongen!’ Toen Bartjan ook begon te huilen, leek ze zichzelf een beetje in bedwang te krijgen. Zijn vader keek hem de hele tijd peinzend aan.

In de auto praatte zijn moeder met een geforceerd opgewekte stem over de keuken die ze hadden laten opknappen, over de nieuwe ijskast. Ze hadden zelfs een magnetron aangeschaft. ‘Ontzettend makkelijk om restjes op te warmen. We gooien nu veel minder weg.’

Hij reed om via Batteloo, zodat ze de ruïne niet zouden passeren. Hij zag Peter toevallig de pastorie uitkomen. In Batteloo hadden ze nog een mooie, oude pastorie, waaraan Peter en Tan- ja ‘s winters een vermogen verstookten. Toen ze bij hem thuis waren, liep zijn moeder meteen naar een foto van hen drieën die op de schoorsteenmantel stond. ‘En we kunnen haar niet eens meer zien,’ zei ze.

Er valt niet veel meer te zien, dacht Bart, maar hij zei niets.

‘Liefste, liefste, het moet verschrikkelijk zijn voor je.’

Ze hielden eikaars handen vast op de blank gelakte, bekraste tafel. De wachtcommandant had hem toestemming gegeven om met haar te praten.

‘En voor jou?’ vroeg Bart.

Josje haalde haar schouders op.

‘Hoe lang moet je hier nog blijven?’

‘Weet ik niet. Ze zijn nog bezig met het onderzoek. En af en toe word ik verhoord.’

‘Je hebt een advocaat?’

‘Natuurlijk.’ Ze streelde zijn handen, zijn polsen, zijn vingers. ‘Ik denk de hele tijd aan je, aan hoe je je voelt, aan wat je doet, aan watje door moet maken. Straks natuurlijk de begrafenis.’

‘Ja, vrijdag.’ Hij keek naar Josje. Hij wist het. Andere mensen zouden nu misschien denken dat hij haar zou haten, maar het verlangen was alleen heftiger geworden. Zij was de enige die de pijn kon verzachten, het verdriet kon neutraliseren. Zij alleen. Vreemd dat hij nu hier zat en dat zijn ouders op Bartjan pasten. Hij had ze gezegd dat hij naar een collega moest om te overleggen over de preek voor vrijdag.”